Astma en allergien, Gezondheid, Tandbederf
Laat een reactie achter

Boerderijkinderen uit het Lötschendal (CH)

De studie van tandarts Weston A. Price naar de leef- en eetgewoontes van natuurvolkeren werd in de jaren 30 van de vorige eeuw uitgevoerd. Price was tandarts in Ohio en zag tot zijn verbijstering, hoe in zeer korte tijd in het begin van de vorige eeuw de tandgezondheid en stand van de tanden in de kaakboog zich veranderde. Price keek naar het gebit en de tandstelling als ware het de spiegel van de gezondheid van het lichaam als geheel. Niet zonder reden. Datgene wat het gebit liet zien, was een afbeelding van de algehele gezondheid, inclusief die van de botten en botgroei. Price was geïnteresseerd in de oorzaak van dit verval en bestudeerde als eerste de schedels van gestorven mensen uit vorige eeuwen. Opmerkelijk was a), dat hij vrijwel geen cariës aantrof in hun gebit en b) dat de tanden recht en volledig en goed verdeeld in de kaak stonden, zonder over- of onderbeet en zonder foute tand-inplant. Gezien de snelle verandering van de gebitstoestand van de Amerikaanse kinderen postuleerde Price een hypothese. Hij dacht, dat de verslechtering van het gebit en stand van de tanden door de verandering in de voeding teweeg gebracht werd en wilde onderzoeken of vooral een vegetarische voeding bij zou dragen aan een gezond gebit.

Met zijn vrouw Flores heeft Price een zelf gefinancierde studiereis gemaakt, die 10 jaar duurde. Daarbij zocht hij natuurvolkeren in bijna alle delen van de wereld op, mensen met een op generaties overgeleverde ervaring gebaseerde levens- en voedingswijze. De insteek van Price onderzoek spreekt zeer tot de verbeelding; hij gaat ervan uit, dat mensen ‘niet gek zijn’ en er alles aan zullen doen om te overleven. Nog zonder wetenschappelijke kennis wordt van generatie op generatie aan elkaar overgedragen, hoe je zwanger wordt, hoe je zonder een arts een kind op de wereld zet, welke voeding bij bepaalde levensfasen hoort. Ieder volk is erop uit om zonder verlies van hun vrouwen (moeders) kinderen geboren te laten worden. Ieder volk moest een weg vinden om de kwetsbare eerste levensfase van het kind (0-2 jaar) zonder grote sterfte te laten verlopen. Mensen vonden oplossingen in voeding, voorbereiding op de zwangerschap (bij vrouw en man), alles verteld in de vorm van rituelen en gewoontes.

Price voerde een zeer goede case-control studie door, aangezien hij de gebitten van de kinderen vergeleek met kinderen met dezelfde genetische achtergrond, maar in dorpen die al gedurende 1 of 2 generaties in contact waren met veranderde voedingsgewoontes. Hij beoordeelde de fysieke gestalte van de mensen, hun gezichtsstructuur en lette vooral op de breedte van het midden-gezicht (jukbeenderen) als indicatie voor een goede stand van de tanden in het gebit (zie de foto boven dit bericht). Hij vroeg welke ziektes in de dorpen voorkwamen. Verder nam Price overal waar hij kwam monsters van het voedsel en liet dit in Amerika analyseren. Bijzondere aandacht ging naar de mineralen en de vet-oplosbare vitamines in het voedsel.

Om de traditionele groepen mensen te vinden, moest hij dikwijls naar uithoeken in verschillende continenten reizen. Als eerste bezocht Price in 1931 het Zwitserse Lötschendal, een toen nog afgesloten, vrijwel ontoegankelijk zij-dal van de Rhône. In het dal leefden ca. 2000 mensen, alle behorend tot de boerenfamilies, die uitsluitend leefden van hun zelf voortgebrachte producten, verdeeld over vier dorpen in het langgerekte, smalle dal, dat naar achteren toe uitliep in het hooggebergte met ijs, sneeuw en gletsjers. In het dal waren noch een dokter, noch een tandarts woonachtig, simpelweg omdat men die niet nodig had. Men teelde Rogge, molk geiten en koeien, maakte berg-kaas en boter. Als de koeien in de Alpenweiden graasden, dronken de kinderen geitenmelk. Schapen waren er vanwege de wol. Er was weinig groente (vooral in de zomer), geen fruit en 1x per week vlees. Van de dierlijke botten werd soep gekookt, dat gedurende de week werd gegeten. Price ontdekte, dat de meeste traditioneel levende volkeren een bijzonder levensmiddel gebruikten, wat te maken had met de zorg voor een nieuwe generatie. Zo ook de bergboeren in het Lötschendal. Hier was dit de rauwmelkse boter, de eerste boter die men maakte van de melk, wanneer in mei en juni de koeien in de Alpen net onder de sneeuwgrens graasden. Tegenwoordig weten we meer qua inhoudsstoffen over deze melkvetten. Analytisch gezien is dit een product met het hoogste gehalte aan vitamines, omega-3 vetzuren en langketenige, onverzadigde vetzuren. Ook in andere volkeren vond Price speciale producten, die rondom de zwangerschap een rol speelden. Dikwijls deed men een beroep op viseieren, waarvan we inmiddels ook weten, dat die rijk zijn aan omega-3 vetzuren, vooral EPA en DHA, die in het alpine melkvet slechts in geringe mate voorhanden zijn, maar die in het lichaam uit het alpha-linoleenzuur (ALA, C18:3n-3) gevormd kunnen worden, vooral gedurende de zwangerschap.

In het Lötschendal waren geen trekdieren (paard, ezel) vanwege de voedselconcurrentie met de koeien en de mens. Derhalve was alle arbeid in het dal mensenwerk (spitten, maaien met de zeis, hooi maken) en werden de lasten (hooi, stalmest) op de rug gedragen. Er werden vrijwel geen producten van buiten ingevoerd. Als één van de weinige importproducten gold het zout. Zonder zout (Natrium-behoefte) konden mens en dier niet overleven. Ter vergelijking bezocht Price in 1932 dorpen aan de andere kant van de Rhône, waar men al jarenlang toegang had via aangelegde wegen en reisde naar het toen al mondaine St. Moritz. Hier was de moderne tijd al ingegaan en werden voedingsmiddelen van buiten geïmporteerd, die het leven ‘gemakkelijk en aangenaam’ maakten: witte brood, suiker, ingeblikt voedsel, etc. In het verleden droegen de kinderen hun lunch met zich mee naar school, bestaande uit geroosterde korrel roggegraan. Deze gewoonte bestaat niet meer in de gemoderniseerde gebieden van de Zwitserse Alpen. Ook chocolade deed haar intrede, net als koffie. Om dergelijke, nieuwe voedingsmiddelen te kunnen kopen, gebruikten de boeren hun eigen kaas en de boter als ruilmiddel. Price schrijft daarover: ‘het duurt meestal niet lang, dat nadat wegen en tunnels gebouwd zijn, zodat auto’s en zelfs treinwagons het moderne voedsel komen brengen en dit voedsel zijn vernietigende werk kan doen.’ In plaats van 2-5% cariës bij de traditionele diëten liep dit al snel op naar 20-30% bij de kinderen. Er was sprake van voortschrijdende cariës. De veranderingen in het dieet had als eerste een desastreuze, zichtbare uitwerking op de kindergebitten. In het begin van de 20e eeuw onderging Zwitserland langzaam de industriële verandering met tot gevolg, dat er nieuwe ziektes opdoken. Bij navraag door Price meldden de autoriteiten, dat zowel cariës als TBC voor hen nieuwe problemen waren, die daarvoor niet bestonden (Price, 1933-3). Price maakt ook opmerkingen over de fysieke gestalte van de kinderen: ‘er is een duidelijke fysieke expressie, een regelmatig gebit met normale afstand tussen de tandbogen. De breedte van de gezichten, de mogelijkheid probleemloos te ademen en de algemene fysieke verschijning was zeer goed. Er was geen enkel kind wat noodgedwongen door zijn mond moest ademen’. Daarbij wordt opgemerkt, dat ‘het gebruik van tandenborstels en tandpasta vrijwel onbekend is bij deze kinderen’ (Price, 1933-5). Bij verdere navraag in klinieken met TBC patiënten wordt voor Price duidelijk, dat geen van de 3500 patiënten uit de Zwitserse Alpen komt, alle komen uit de lagere delen van Zwitserland. De correlatie tussen opkomend tandbederf en opkomende TBC was groot, niet alleen in Zwitserland, maar ook in andere populaties die Price heeft onderzocht. De traditioneel levende mensen hebben door hun voeding een immuniteit tegen cariës verval, maar ook andere ziektes als TBC, zo schijnt het. De geschiedenis gaat nog verder, als Price opmerkt, dat in het Lötschendal geen enkele arts of tandarts woont. Ook in andere geïsoleerde gebieden die hij bezocht is dit het geval. Mensen overleefden zonder deze hulpdiensten: ‘de hoge immuniteit voor tandbederf gaat hand in hand met een hoge immuniteit voor infectieziekten en toont een uitstekende ontwikkeling van de fysieke gestalte. Dit beperkt de noodzaak tot medische begeleiding, zelfs bij complicaties rondom de geboorte’ (Price 1933-5). Generaties lang hadden mensen door ervaring een weg gevonden om te leven en te overleven, echter zonder zelf te kunnen begrijpen en verklaren waarom dit zo was.

De hoge consumptie van rauwe melk en rauwmelkse bergkaas speelde een belangrijke rol bij de Zwitserse boeren. In de studies van Price kunnen we ons in Europa derhalve gemakkelijk met hen identificeren, en ook met de bewoners van de Schotse Hebride-eilanden. Hier speelde vis en havermout een belangrijke rolin hun voeding.

Bij vrijwel alle andere volkeren die Price onderzocht heeft, speelde melk van koeien of geiten geen rol. Er was iets anders, wat de gezondheid van de traditioneel levende mensen met elkaar verbond. Aan het begin van dit stuk is vermeld, dat Price een hypothese had, namelijk dat vegetarisme tot gezondheid zou leiden. Na de studie van de 15 volkeren kwam hij tot een andere conclusie: het was veel meer de afwezigheid van geraffineerde en industrieel bewerkte producten, dat de mensen verbond; zij aten alle veel rauwe en rauw gefermenteerde producten; zij waren alle gek op dierlijke producten, maar dat was met uitzondering van de Groenland Eskimo’s vaak in geringe mate voorhanden; als men dierlijke producten at, dan werd het dier als geheel gegeten, alle organen of de magere delen; men prefereerde juist het dierlijke vet en last, but not least, men had in vele gevallen een speciaal voedingsmiddel om de vruchtbaarheid en zwangerschap te ondersteunen. Interessant is de zienswijze van de Groenland Eskimo’s die melden, ‘dat zij zich op deze wijze voeden om een gezonde volgende generatie voort te kunnen brengen’. De zogenaamde ‘sacred food’ in het Lötschendal was de rauwmelkse boter afkomstig van de Alpenweiden. De mensen waren zich zo bewust van de waarde van dit voedingsmiddel, dat men kleine kapelletjes inrichtte, waar een schaaltje botervet met behulp van een lontje aangestoken werd als de boter er weer was, als dank aan de goddelijke wereld. Hetzelfde gevoel misschien in Nederland, ‘wanneer de meikaas weer in de winkel ligt’, een kaas die van de 1e melk gemaakt wordt als de koeien weer naar buiten gaan. In plaats van bleke stal-kaas kunnen we weer genieten van de gele kaas uit weidegras, mits de koeien daadwerkelijk alleen met gras gevoed worden.

Price wilde uiteraard ook analytisch begrijpen, wat het onderscheid is tussen de traditionele voeding, dieet en leefgewoonten en het moderne, geciviliseerde voedsel. Daartoe onderzocht hij verschillende inhoudsstoffen en nam hij ook speekselmonsters van de kinderen. Algemeen kun je stellen, dat er verschillende dingen in het oog springen:

a) er is sprake van nutrient-dense food, er is een grote hoeveelheid mineralen en sporenelementen vanuit het voedsel zelf;

b) er werden geen geraffineerde, maar volkoren producten gebruikt, dikwijls van vers graan, geen geraffineerde suikers;

c) er een constante inname van pre- en probiotisch voedsel is, ten dele onverhit, er werden vele melkzuur gefermenteerde producten gebruikt;

d) aandacht voor vetten en vet oplosbare vitamines, de gehaltes aan vet-oplosbare vitamines zijn hoog;

e) er werd fysiek hard gewerkt en men was derhalve ook veel buiten met expositie in de zon en

f) er waren speciale voedingsmiddelen, die de vruchtbaarheid en borstvoedingstijd ondersteunden, extra vet oplosbare vitamines en zeer langketenige vetzuren.

Voor de opgroeiende kinderen in het Lötschendal berekende Price een inname van ca. 1600 calorieën per dag, de helft uit Rogge, een kwart uit kaas en melk, de rest uit boter, gerst, groente en vlees. Price wijst al op de grote waarde van het snelgroeiende gras en het groene hooi, wat de koeien ’s winters krijgen. Het is met name dit ‘letterlijk groene dieet’, dat melk een bijzonder vetzuurprofiel geeft, bestaande uit hoge gehaltes aan omega-3 vetzuren, vertaktketenige vetzuren, vet oplosbare vitamines en de juiste geconjugeerde linolzuren (Kusche et al., 2013).

Foto: een bruid aan het einde van de 19e eeuw gefotografeerd in het museum in het Lötschendal (Ch)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *