Melk, Weide koeien en vetzuren
Laat een reactie achter

Biologisch melkvet gedifferentieerd

Kusche et al. (2014) publiceerde de vergelijking tussen melk van BD-koeien en melk van gangbare koeien. In het onderzoek werd in beide groepen een onderscheid gemaakt tussen traditionele, extensieve bedrijven en moderne, intensief gevoerde melkkoeien. Derhalve was er sprake van 4 bedrijfstypen: BD-low input (BLI), BD-high input (BHI), gangbaar-low input (CLI) en gangbaar high-input (CHI). Het betreft alleen melk uit de weideperiode, echter alle bovengenoemde verschillen laten zich vrij goed uit d vier onderzoeksgroepen verklaren.

De gangbare CHI-bedrijven vertegenwoordigen typische moderne melkveehouderij-bedrijven. Hier staan koeien het jaar rond op stal en wordt vrijwel uitsluitend geconserveerd voer gevoerd bestaande uit vooral silage en krijgen de koeien een groot aandeel krachtvoer. Daartegenover staan de meest extensieve BD-bedrijven, waar de koeien vrijwel alleen van weidegras leven, wat zij zelf op de weide ophalen; het aandeel krachtvoer is laag (6,0%). De beide andere groepen nemen uit twee oogpunten een middenpositie in. De BHI bedrijven geven weinig krachtvoer, maar voeren wel een groter aandeel als silage geconserveerde producten. De CLI-bedrijven voeren hun koeien gras, meestal op stal gevoerd en ook meer krachtvoer (18,1%).

Tabel. Zomerrantsoen van vier groepen bedrijven gebaseerd op de tegenstelling BD en gangbaar (B en C) en extensief en intensief (LI en HI).

Voer in kg ds / koe / dag: Bedrijfsstijl
BLI BHI CLI CHI
Vers gras: beweid, gemaaid (kg) 11,9 4,9 9,3 1,5
Gras(-klaver) silage (kg) 5,7 7,1
Mais silage (kg) 1,9 4,0
Hooi (kg) 1,9 1,7 2,8 0,3
Gras brok (kg) 0,2 0,6 1,0
Krachtvoer (kg) 0,9 1,6 2,9 4,5
Aandeel krachtvoer in rantsoen (%) 6,0 9,8 18,1 25,9

Met behulp van multivariate statistiek kan ten eerste gekeken worden, hoe de gehele vetzuursamenstelling (profiel) van invloed is om de vier groepen van elkaar te onderscheiden. Vervolgens kan worden beoordeeld in hoeverre de afzonderlijke bedrijfs- en voerkenmerken met deze scheiding gecorreleerd zijn.

mh-figuur-1-11

Figuur . Ruimtelijke positie in een 2-dimensionaal vlak van de vier bedrijfsgroepen gebaseerd op het onderscheid in vetzuursamenstelling en de correlatie van deze ruimtelijke verdeling met verschillende bedrijfs- en voerkenmerken (Kusche et al., 2014).

Voor de interpretatie van de resultaten moet men begrijpen, dat de belangrijkste verschillen op basis van het vetzuurprofiel als eerste door de horizontale as wordt bepaald. Dan wordt duidelijk, dat het vetzuurprofiel van BLI en CHI vrijwel volledig te onderscheiden zijn. In het midden staan de beide andere groepen BHI en CLI, die niet op basis van de 1e horizontale as onderscheidbaar zijn. Beide circels kan men in het midden van de horizontale as projecteren. Op basis van de 2e (verticale) as kunnen ook de groepen CLI en BHI van elkaar onderscheiden worden.

Er zijn een reeks aan vetzuren, die een bijdrage leveren aan de indeling van de vier groepen. Aan de rechterkant van de figuur tekent zich een vetzuur-profiel af, wat zich kenmerkt door omega-3 vetzuren, CLAc9t11 en zijn voorstadium C18:1t11 plus een aantal iso-vetzuren (C15iso en C17iso). Deze vetzuren zijn significant lager in het melkvet van CHI-bedrijven. De 2e as wordt door middellang ketenige, enkelvoudig onverzadigde vetzuren gescheiden. Zij worden in significant hogere concentratie gevonden in de CLI-bedrijven ten opzichte van de BHI-melk.

Wanneer de bedrijfs- en voerfactoren geprojecteerd worden (op basis van een passieve correlatie met de ruimte als geheel), dan is op de horizontale as de scheiding gecorreleerd met opname van gras, ruwvoer (rechts) versus mais, gras-silage en krachtvoer (links). Ook is een verhoogde melkproductie en het hoger aandeel Holstein-melkkoeien gecorreleerd met deze as (links). De 2e verticale as hangt samen met het aandeel grasbrok, maar vooral met omgevingsfactoren, de hogere ligging van deze extensievere gangbare bedrijven, de hogere regenval.

In relatie tussen gezondheidsbevordering en vetzuren worden de vetzuren, die aan de rechterkant van de figuur opduiken alle genoemd als bio-actieve vetzuren die de gezondheid positief beïnvloeden kunnen. Dit geldt ook voor de vetzuren aan de bovenzijde van de grafiek. Het belangrijkste verbindende element tussen beide groepen BLI en CLI is het hoge aandeel weidegang, vers gras waaruit de koeien melk produceren.

Ook andere auteurs wijzen erop, dat bepaalde vormen van extensieve, gangbare veehouderij een beter vetzuurprofiel kunnen hebben als ‘gewone’ biologische bedrijven. Biologische bedrijven hebben doorgaans het beste vetzuurprofiel, maar wanneer ook hier de landbouw sterk intensiveert, bestaat het gevaar, dat het onderscheid met gangbare bedrijven vervaagt. Daarom moet je altijd binnen 1 regio kijken, wat de verschillen zijn tussen biologische en gangbare bedrijven en kun je geen absolute uitspraak doen over biologische melk. Molkenthin benoemde in zijn Duitse onderzoek de omega-3 vetzuren als een onderscheidend kenmerk voor biologische melk. Ook hier geldt, dat dit opgaat wanneer de vergelijking regionaal gemaakt wordt.

Melk van alpiene oorsprong combineert het beste van alle kanten. De veehouderij is zeer extensief, de koeien eten snel groeiend gras van extensieve, kruidenrijke weiden en er wordt doorgaans geen of weinig krachtvoer gegeven. Het in figuur a genoemde profiel van n-3 vetzuren, verschillende CLA’s en de vertakte vetzuren gaat doorgaans zeker op voor alpiene veehouderij. Jahreis noemt twee vetzuren onderscheidend voor melk van weidehouderij en speciaal ook de alpiene regio’s CLAt11c13 plus CLAc9t11. Wanneer de dieren intensief gevoerd worden, komen andere CLA’s, c7t9 en t10c12 naar voren vanwege het krachtvoer en snijmais.

Foto: een melkkoe eet een appeltje, Völkleswaldhof (D)

Download PDF Kusche (2014)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.